AddThis Social Bookmark Button

Het gemeentebestuur heeft naar bewoners geen informatie achtergehouden over het bouwplan in de Burgemeester Mooijstraat (Castricum). Vlak voor zijn vertrek antwoordt de hiervoor nog verantwoordelijk wethouder Piet Voulon dit op vragen van De VrijeLijst.

Raadslid Ron de Haan had de volgende vragen gericht aan het gemeentebestuur:

Bent u bekend met de brief van bewoners van de Geelvinck- en Pernéstraat van 27 februari aan de gemeenteraad en B en W, waarin zij aangeven dat zij op 23 februari onnodig voor de Raad van State in Den Haag zijn verschenen ?

Antwoord van het college:

Ja, deze brief is bij ons bekend. Inmiddels heeft de Voorzitter van de Raad van State ook uitspraak gedaan in deze zaak. Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen. Tevens is het hoger beroep ongegrond verklaard hetgeen betekent dat de bouwvergunning 1e fase en de vrijstelling van het bestemmingsplan op 7 maart onherroepelijk zijn geworden.

RdH: Is de bewering van bewoners in voornoemde brief juist dat van gemeentewege informatie is "gelekt" naar de projectontwikkelaar, of dat een feitenwisseling met hem of zijn rechtsvertegenwoordiger heeft plaatsgevonden waaruit kon worden vastgesteld dat door bewoners géén zienswijze was ingebracht tegen het ontwerp-bestemmingsplan dorpskom 2000" ?

Zo, nee, hoe verklaart uw college dat beweringen over de afzijdigheid van bewoners inzake het ontwerp-bestemmingsplan dorpskom 2000 in het verweerschrift van de projectontwikkelaar terecht konden komen?

Zo ja, acht uw college dergelijke contacten op grond van behoorlijk bestuur niet rijp voor gelijkwaardige informatie aan overige belanghebbende? Zo nee, waarom niet?

Antwoord van B en W:

Het strijdpunt in deze is de bouwvergunning en vrijstelling die ons college op 16 augustus 2005 heeft verleend voor de realisatie van het plan de Gouden Stulp. In de bouwvergunning wordt uitvoerig ingegaan op alle van belang zijnde aspecten van het bouwplan. Op pagina 4 van de bouwvergunning wordt expliciet genoemd dat het bouwplan onderdeel uitmaakt van het ontwerp-bestemmingsplan Dorpskom 2000 (dit naar aanleiding van de grief van diverse bezwaarmakers die stelden dat sprake was van een "leeg" voorbereidingsbesluit). In de bouwvergunning wordt aangegeven dat het zogenaamde artikel 10 Bro overleg bijna was afgerond.

Na afronding van het artikel 10 overleg volgt ter inzagelegging van een bestemmingsplan op basis van artikel 23 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna:WRO). Deze terinzagelegging vond plaats op 26 oktober 2005. De advocaat van bezwaarmakers heeft ondanks de expliciete vermelding in de bouwvergunning van 16 augustus 2005 namens zijn clienten geen zienswijzen ingediend tegen het bestemmingsplan. Hij is in zijn beroepschriften richting rechtbank Alkmaar wel uitputtend ingegaan op de vele andere aspecten die opgenomen zijn in de bestreden bouwvergunning. De rechtbank Alkmaar heeft het beroep desondanks ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank ons betoog gevolgd dat de belangenafweging op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

De advocaat van de heren Dam, Brakenhoff en van Trigt heeft vervolgens op 1 februari 2006 hoger beroep ingesteld bij de Raad van State. De Raad van State heeft ons college én de vergunninghouder in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie in te dienen naar aanleiding van hetgeen door de advovaat, dhr. Van Lier naar voren is gebracht. In dát kader heeft de advocaat van vergunninghouder bij de gemeente nagevraagd of het bestemmingsplan Dorpskom 2000 inmiddels al op basis van artikel 23 WRO ter inzage was gelegd (antwoord: ja) en of er ook door appellanten zienswijzen waren ingediend (antwoord: nee). De advocaat van vergunninghouder heeft vervolgens in zijn reactie richting de voorzitter van de afdeling bestuursrechtspraak aangegeven dat het niet indienen van zienswijzen tegen het ontwerp-bestemmingsplan in zijn ogen van betekenis was.

In onze reactie op het hoger beroepschrift hebben wij ons beperkt tot de zorgvuldige belangenafweging die in onze ogen ten grondslag heeft gelegen aan het uiteindelijk afgeven van de bouwvergunning.

Tijdens de behandeling van het hoger beroep door de voorzitter van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is de stelling van de advocaat van vergunninghouder ten aanzien van het bestemmingsplan, in niet mis te verstane bewoordingen van de staatsraad, voorgelegd aan de advocaat van appellanten. De advocaat, de heer Van Lier heeft ter zitting bekend dat hij het aspect over het hoofd heeft gezien. De staatsraad heeft hem daarbij ter zitting gewezen op het feit dat het bestemmingsplan genoemd is in de door hem zelf bestreden bouwvergunning.

In aanvulling op deze opmerking van de staatsraad kan nog worden opgemerkt dat wij
in onze verweerschriften van 12 januari 2005 en 9 februari 2005 ook al expliciet hebben aangegeven dat het bouwplan de Gouden Stulp past in het ontwerp-bestemmingsplan Dorpskom 2000. Sterker nog: de voorzieningenrechter te Alkmaar besteed in zijn uitspraak van 16 maart 2005 nog uitdrukkelijk aandacht aan het bestemmingsplan Dorpskom 2000 en het feit dat het bouwplan daarin past (zie onder 4.8.1. van deze uitspraak). Uiteraard beschikten de bezwaarmakers én de heer Van Lier over de hiervoor genoemde stukken!

Hoewel de bewoordingen van de staatsraad ten aanzien van het bouwplan en het bestemmingsplan zeer duidelijk waren is uit de uitspraak van de afdeling op te merken dat niet het betoog van de advocaat van vergunninghouder is gevolgd maar het betoog van ons college. Ook de afdeling is van mening dat een zorgvuldige belangenafweging ten grondslag heeft gelegen aan de uiteindelijke afgifte van de bouwvergunning. Daarbij wordt hetgeen door ons college gesteld is over de belangenafweging in relatie tot de bouwhoogte en het aspect parkeren volledig gevolgd. Over het bestemmingsplan Dorspkom 2000 en het niet indienen van zienswijzen wordt in de uitspraak niets gezegd. Het betoog van de advocaat van vergunninghouder ten aanzien van de betekenis van het bestemmingsplan Dorpskom 2000 in relatie tot de bestreden bouwvergunning is, zo moge duidelijk zijn, door de staatsraad niet overgenomen.

Terugkomend op uw vraag ten aanzien van het "lekken" van informatie richting de advocaat van vergunninghouder willen wij nog het volgende opmerken.
Tijdens de gehele procedure is contact geweest met bezwaarmakers, de advocaten van bezwaarmakers, de vergunninghouder en de advocaat van de vergunninghouder. Daarbij zijn alle vragen en is alle informatie naar eer en geweten beantwoord en verstrekt. Het woord "lekken" achten wij derhalve nogal misplaatst.

RdH: Kan het college aangeven op welke wijze bezwaarmakers zijn gewaarschuwd voor een procesgang bij de raad van State terwijl op voorhand vaststond dat de slagingskans 0% was omdat op formele gronden niet aan de wettelijke bepalingen en criteria was voldaan? Zo ja, waaruit blijkt die waarschuwing?

Zo nee, kan uw college aangeven waarom u heeft besloten bewoners onwetend te houden over de formele verplichting dat belanghebbende ook bezwaar dienden aan te tekenen tegen het ontwerp bestemmingsplan "dorpskom 2000" daar anders van behandeling van hoger beroep bij de Raad van State niets tercht zou komen?

Antwoord van het college:

De vraag wordt gesteld vanuit de perceptie dat het niet-indienen van zienswijzen tegen het bestemmingsplan alleen al voldoende zou zijn om het hoger beroep ten aanzien van de afgegeven bouwvergunning af te wijzen. Dat deze perceptie onjuist is blijkt uit de uitspraak van de voorzitter van de afdeling waarin het bestemmingsplan Dorpskom 2000 en het niet-indienen van zienswijzen niet één keer genoemd wordt.

In zijn algemeenheid willen we overigens nog opmerken dat het vooraf " waarschuwen " van indieners van bezwaar-, beroep- of hoger beroepschriften zeer ongebruikelijk is. In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld bij niet-ontvankelijke bezwaarschriften, kan tijdens de bezwaarfase ruimte zijn voor overleg (meestal dan geïnitieerd door de bezwaarschriften-commissie). In de fase van beroep en hoger beroep is het verweerschrift hét midel voor het weergeven van de gemeentelijke visie. Zelden zal een verweerschrift de mededeling bevatten dat een rechtsgang kansloos is. Dat oordeel is immers voorbehouden aan de rechter of de Raad van State.

RdH: Is het college van mening dat het in het kader van informatieplicht aan burgers eerlijk en billijk is om bewoners over rechten en plichten volledige en duidelijke informatie te verschaffen, nodig om soms in ingewikkelde bezwaar en beroepszaken de juiste wegen te bewandelen? Zo nee, waarom niet?

Zo ja, waaruit blijkt volgens uw college dat aan de hier bedoelde informatieplicht is voldaan, in aanmerking nemende uw brief d.d. 16 augustus 2005 waarin in het kader van de bezwaarprocedure tegen de Gouden Stulp wordt opgemerkt dat 'voor het te ontwikkelen gebied een veel ruimer gebied daaromheen thans een nieuw bestemmingsplan in voorbereiding is met de titel "Dorpskom 2000".

Antwoord van het college:

Bij de inderdaad soms ingewikkelde bezwaar- en beroepsprocedures kunnen burgers alle relevante informatie verkrijgen bij de vakafdelingen en het secretariaat van de bezwaarschriftencommissie. Ook in deze zaak is vele malen informatie opgevraagd en verstrekt. Daarbij is contact geweest met de omwonenden én hun advocaten.

Ten aanzien van het in procedure brengen van bestemmingsplannen, zoals bijvoorbeeld het onderhavige bestemmingsplan Dorpskom 2000, merken wij op dat deze gepubliceerd worden in het weekblad voor Castricum en de Staatscourant. Daarbij volgen wij hetgeen door artikel 23 van de WRO wordt voorgeschreven. Een individuele benadering van bewoners van een plangebied volgt bij grotere beheersplannen zoals Dorpskom 2000 nooit. De jurisprudentie op dit gebied is daarbij zeer helder. Een fout in een individuele aankondiging wordt de gemeente verweten. Daarbij speelt het gelijkheidsbeginsel bij een individuele berichtgeving een rol. Wie wordt wel benaderd en wie niet? Hoe kan een gemeente daar keuzes in maken? Krijgen alleen mensen die bezwaar maken in een bepaald bouwproject bericht als het desbetreffende bestemmingsplan ter inzage komt te liggen? Wat gebeurt er met mensen die niet in het gebied wonen maar daar waar wel een zakelijk belang hebben? Wat gebeurt er als iedereen individueel bericht krijgt behoudens 2 van de bijvoorbeeld 2000 inwoners van een plangebied?
Om deze onduidelijkheid te voorkomen heeft de wetgever ervoor gekozen om bestemmingsplannen te laten publiceren in een huis aan huisblad en in de staatscourant. Wij volgen hierin uiteraard de wetgever.

RdH: Is het college van oordeel dat bewoners en belangengroepen voortaan meer adequaat moeten worden geïnformeerd?

Het college: Bewoners en belangengroepen zíjn adequaat geïnformeerd.

RdH: Is uw college zich ervan bewust dat bewoners in de onderhavige zaak thans bij de Raad van State onnodig proceskosten hebben gemaakt. Zo ja, acht uw college het treffen van een schikking, zoals ook wordt gevraagd door bewoners die leidt tot compensatie van de proceskosten op zijn plaats?
Zo nee, waarom niet?

Het college:

Wij hebben, met steun van de gemeenteraad overigens, ingestemd met de ontwikkeling van het bouwplan de Gouden Stulp. Daarbij hebben wij ons op het standpunt gesteld dat de belangenafweging op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, dat geen sprake was van een schending van de privaatrechtelijke belangen van omwonenden en dat de parkeerkelder maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.

Dit standpunt is door de advocaat van de omwonenden, de heer Van Lier van Smithuijsen Advocaten, bij zowel de rechtbank Alkmaar als de bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bestreden. Zowel de rechtbank als de afdeling hebben ons betoog echter gevolgd en hebben de argumenten van de heer Van Lier afgewezen.

Dat vervolgens gevraagd wordt aan de gemeente om een proceskostenvergoeding omdat de argumenten van de eigen advocaat niet zijn overgenomen verbaast ons enigszins. Van een proceskosten-vergoeding kan pas plaats zijn als de argumenten en het besluit van de gemeente weerlegd en vernietigd zijn door de rechtbank en/of de afdeling. Dat is hier niet het geval.

Het treffen van een "schikking" achten wij hier zeer ongepast. Naast het feit dat het suggereert dat de gemeente iets "fout" gedaan zou hebben zou het betekenen dat de gemeente bij ieder beroep of hoger beroep ingesteld door een tegenstander van een bouwplan, ongeacht de uitspraak van een rechter of staatsraad, een vergoeding zou kunnen krijgen van de gemeente. Dat kan en mag niet de bedoeling zijn!

Conclusie:

Resumerend stellen wij vast dat wij met goede gronden bouwvergunning hebben verleend voor de ontwikkeling van het plan de Gouden Stulp. De ontwikkeling van de locatie is daarbij dertienmaal in de commissie en/of de gemeenteraad behandeld. De realisatie van het bouwplan is dan ook gebaseerd op een raadsbesluit. De vergunning is getoetst door de rechtbank Alkmaar en de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Beide instanties hebben het besluit en het totstandkomen van het besluit geaccordeerd. Ons besluit is zorgvuldig tot stand gekomen waarbij alle informatie voor iedereen beschikbaar was. Verwijten richting ons college en de betreffende vakafdeling zijn dan ook misplaatst.

07 Apr 2006 door de redactie